Afbeelding van boek: Het gouden seizoen   Voor haar ligt het boek en terwijl ze een goede plek zoekt om het te signeren, ‘Hemelsblauw met roze’ of misschien alleen ‘Hemelsblauw. ziet ze het gezicht voor zich van de man die ze heeft liefgehad en van wie ze op platonische wijze nog zielsveel houdt. Ze ziet hem het pakje neerleggen op de keukentafel of misschien is hij in het atelier. Hij zal waar hij mee bezig is eerst afmaken en dan zijn mesje nemen om het plakband door te snijden, behoedzaam om niets te beschadigen, zijn mes dichtklappen en vervolgens het papier eraf wikkelen. Alles met die rustige, beheerste gebaren. Hij zal het boek in zijn prachtige handen houden, - ze heeft de strip om het boek over haar naam geschoven - maar voordat hij binnenin gekeken heeft, zal hij weten van wie het afkomstig is, want hij kent het onderwerp van het verhaal.
‘Eindelijk!’ zal hij uitroepen. ‘Het werd tijd, Langewaal!’ Zijn mond plooit zich in een lach, die breder wordt als hij haar signatuur op het schutblad ontdekt: ‘Hemelsblauw’
Hij zal weten dat het goed met haar gaat. Hij weet het omdat het oranjeroze verdwenen is, opgelost in het blauw. Ze is benieuwd hoe hij het boek vindt, hij zal het te zijner tijd lezen wanneer hij er tijd voor heeft; hij is een bezig mens. Misschien geeft hij het daarna wel aan Ossip zodat deze kan zien waartoe
zijn speurwerk heeft geleid. Maar nee, dat zal hij niet. Hij zal het hem laten zien en erover vertellen, want het is in het Nederlands geschreven en zijn zoon spreekt een andere taal. De inkt is droog, ze aarzelt om er meer in te schrijven dan alleen haar naam, maar ze bedwingt zich en pakt het in. Ze schrijft zijn naam
erop, drukt haar lippen op het papier bij wijze van een kus, dan het adres. Als hij er zelf niet is, zal Ossip het pakje in ontvangst nemen, hij woont er de weekeinden. Ze zal niets van hem horen, maar ze weet dat hij aan haar denkt. Zoals hij, wanneer hij ervoor openstaat en tijd heeft, haar aanwezigheid zal voelen. Geuren van buiten drijven door de open ramen naar haar toe; het is zomer en ergens in de buurt houdt men een barbecue. Opeens verlangt ze naar hem, voelt het heftig kloppen van haar hart. Ze verlangt naar zijn aanwezigheid, zijn stem, zijn lach. Voor één dag maar, om wijn te drinken en brebis, schapenkaas te
eten en te praten over alledaagse dingen; over de zee, de wind en wat ze zullen eten. Ze legt haar pen neer en staart uit het raam. Ook toen was het zomer geweest, een prachtige nazomer.

 

 

                                Direct bestellen?  

©2009-2010 Henriëtte Hendrix
Webdesign ToverkolMedia