| |
|
Het meisje brengt koffie. Gelijktijdig grijpen
hun handen naar de suiker, ze lachen opnieuw. De aanraking van
hun huid brengt Jenny in verwarring, roept herinneringen op aan
een zomer van intens groene bomen, rode papavers en Robins
mooie, bezwete rug terwijl hij het gras maaide in Peters tuin.
‘Hoe is het in de business? Ik hoor niets meer over je.’
‘Ik zing niet meer, als je dat bedoelt.’
‘Waarom niet?’
‘Ach,’ zijn vingers spelen met het lepeltje. Hij roert
automatisch in zijn koffie. ‘Ik zag het niet meer zo zitten. Je
kunt niet eeuwig met een gitaar op het podium staan.’
De afweer in zijn stem ontgaat haar niet, kennelijk wil hij niet
praten. Toch vraagt ze: ‘Nog steeds om Virginie?’
Robins ogen worden donker, zijn mond verstrakt.
‘Dat was tien jaar geleden! Nee, het is een rottijd, de mensen
zijn veranderd, de wereld is veranderd, de markt is verpest.
Waarover moet ik nog zingen? Ik heb alles al eens gezegd. De
koek is op, Jenny. De bron is leeg, mijn creativiteit staat op
nul.’
‘Dat zeggen alle scheppende geesten.’
‘Ach mens! Wie luistert er in jezusnaam nog naar een tékst?
Disco is de rage, dreinen en stampen op iets dat zich steeds
herhaalt. Wiebelen en zweten, lawaai en lichteffecten. Drinken
en vrijen, ecstasy... leve de lol!’
Jenny schrikt van zijn toon. ‘Er zijn anders nog genoeg mensen
die van jouw soort muziek houden,’ werpt ze tegen.
‘Ja, oude wijven misschien.
Hoor eens Jenny, moeten we daar nou echt over praten’
‘Waarom niet?’
‘Het is verleden tijd,’ zegt hij stroef. ‘Drink je koffie op
voordat het koud wordt.’
Het kwetst haar, hij ziet het. Tien, elf jaar, wat betekenen ze
voor hem? Hij voelt haar blik, het kopje in zijn hand trilt. Hij
zal haar niet toelaten. Haar kijken maakt hem nerveus, hij legt
zijn handen op zijn schoot, stopt ze ten slotte tussen zijn
dijen om het beven tegen te gaan. Mensen gaan weg, anderen komen
binnen. Het regent nog steeds.
|
|